Column 4…               Naar het station…

 

Het is februari ’69, ik vier thuis in Zaandam mijn verjaardag met mijn zus en een groep vrienden. Onder hen een klasgenoot uit Haarlem, die per trein gekomen is. Mijn ouders zijn niet thuis, dus optimaal feestgedruis… Ik hoef niet meer weg op de motor en ik kan rustig een paar biertjes drinken. De Harley staat derhalve werkeloos voor het huis en leunt mijmerend op de jiffystand… Rond een uur of elf schrikt mijn Haarlemse studiegenoot zich een rotje na het raadplegen van zijn polsuurwerk. “Deksels…!” roept hij verschrikt uit ( In Haarlem spreken de mensen dan nog uiterst beschaafd..) “Ik ga mijn trein missen!” Nu lijkt dat prima, want zo’n ding is nogal zwaar en kan lelijk aankomen…, maar dat bedoelt hij niet… Het is nogal een eind lopen naar het station en goede raad is duur. Bíjna érg prijzig, zal later net niet blijken… Ik bied aan, hem dan toch maar even met de H.D. te brengen, de genuttigde alcohol ten spijt. Zo gezegd, zo gedaan, denk ik nog… De heenweg verloopt zonder problemen en André, de klasgenoot in kwestie haalt gemakkelijk zijn trein. Ik rij terug…, nauwelijks een paar honderd meter verder op de Gedempte gracht, een feeëriek verlichte winkelstraat in het Zaanse centrum, begint de motor heftig te knallen. Gauw het licht uitgezet en daarop doet de Harley weer ‘normaal’. De straat is toch goed verlicht, dus ík vind het niet zo erg. Aan het eind van de gracht rij ik de Beatrixbrug over de Zaan op. Precies op het midden van de oeververbinding komt er een politieauto van de oppositionele kant… Oeps, realiseer ik mij benepen, dit gaat niet goed. Ik denk niet dat deze wetsdienaren mijn huidige standpunt omtrent verlichting zullen delen. Ik besluit direct na de brug linksaf de Oostzijde in te schieten, want ik kan het actieplan der dienders wel raden. Als ik na een paar honderd meter de zojuist afgelegde weg inspecteer, zie ik inderdaad in de verte een wit kevertje met blauwe zwaailichtjes naderen. Zonder licht en drank op…, dit is geen hoogstaand optreden van een redelijk serieus onderwijzer in opleiding… “Tom Poes, verzin een list”, flitst het door mijn ongerust brein. “Brommels, hoe luidt je naam…? Hoor ik de agent al bassen… Ik krijg een ingeving en stuur de Harley een zijstraat in en zet hem gelijk bij een steeg op de stoep. Ik stap meteen af en ga aan het contactslot prutsen. Met gierende bandjes stopt het witte wagentje vlak naast mij. Ik draai het contactslot in de lichtstand en … het licht brandt… “Hij doet het weer…!” roep ik enigszins ten overvloede, maar met veel oprechte blijdschap. Ik zorg ervoor dat de motor tussen mij en de inmiddels uitgestapte sterke arm blijft, teneinde de brave agent niet met mijn bezoedelde adem te hinderen… Dat lijkt me gewoon beter. De politiebeambte informeert ietwat argwanend of ik hier woon. “Jazeker…”, jok ik overtuigend en voel gelijk schaamte. “Je hebt toch niet gedronken?” vraagt de andere agent vanuit de auto, mij strak aankijkend. “Nee!” huichel ik ten tweeden male, met vuile vlinders in mijn buik. In de gezichten van de mannen in functie, meen ik wel wat twijfel te bespeuren. Toch volgt het verlossende: “Nou, ga maar gauw naar binnen…!” “ Ja, dat zal ik zeker doen!” jok ik voor de derde keer, met kramp in mijn darmen. Terwijl zij wegrijden sluit ik mijn ogen en haal diep adem… Ik hoor gelukkig geen haan kraaien. Ik blijf nog wat minuten na staan bibberen. Ja, het is erg fris vanavond. Dan herpak ik mij, breng de Harley weer met een ferme schop tot leven, schakel het licht en de versnelling in…, alles doet het. Nu gauw naar huis. Geweldig opgelucht draai ik even verder het Roggeplein op, niet ziende dat er een grote plas ligt, welke geheel in bevroren toestand is… In een fraaie vonkenregen schuift de Harley, inclusief berijder over de straatstenen. God straft onmiddellijk en meedogenloos, hoor ik mijn biologieleraar in gedachten nog denken… Twee oudere voetgangers slaan verstijfd van schrik dit stuiterend tafereeltje gade. “Bent u gewond…?” vraagt het vrouwelijk en vriendelijk deel van dit doorleefde duo. De mannelijke helft kijkt slechts misprijzend en hoofdschuddend. Ik krabbel ondertussen onder de motor vandaan en weet het apparaat weer in betere positie te krijgen. Dankzij de valbeugels is de schade aan mezelf beperkt gebleven tot een bloedende knie en een gat in mijn ‘zondagse’ broek. Voor de derde maal start ik de motor en leg de laatste halve kilometer uiterst behoedzaam af. Als ik het ouderlijk huis weer binnenstap zie ik bezorgde blikken en heb het een en ander uit te leggen… Ik geloof het echter zelf amper! Ik plak wat pleisters en trek snel een andere broek aan. Als mijn ouders thuiskomen is er niets aan de hand… Later in mijn ledikant kan ik de slaap niet direct vatten. Mijn gedachten variëren van: “Wat een eikel… tot… dat heb je mooi gedaan jochie…!” Na dat laatste hoor ik dan tenslotte eindelijk de haan kraaien…

 

Ernst Hagen

PS: Na 39 jaar heb ik ’t mijn moeder maar eens verteld…

 

 

 

 

 

© Ernst Hagen Motoren | Ontwerp: PK Designs